Na dood van Karel viel het rijk uiteen. Er zijn verschillende oorzaken:
De Germanen hadden de gewoonte om het rijk te verdelen onder alle zonen van de vorst
De opvolgers van Karel de Grote voerden oorlogen tegen elkaar
Andere volken deden aanvallen. De Noormannen vielen vanuit het noorden aan en de moslims vanuit het zuiden
De opkomst van de Franken
Franken werden het belangrijkste volk
Germaanse volken hadden veel gemeenschappelijk:
In iedere stam had de vergadering van vrije mannen de meeste macht. In oorlogstijd werd een aanvoerder gekozen. Sommige werden koning
Elk Germaans volk was verdeeld in verschillende stammen
Hun samenleving was gelaagd: 1 slaven 2 vrijgelatenen 3 vrije mannen
Zij leefden vooral van landbouw en woonden in dorpen
Hun talen lijken spreken op elkaar
Paragraaf 2: De samenleving in de vroege middeleeuwen
Mogelijkheden om van de ene bevolkinslaag in de andere terecht te komen
Je kon alleen uit je groep komen door geestelijke te worden
In de 2e helft van de 13e eeuw ontstond in Noord-Europa de Hanze. Dat was een verbond van kooplieden van verschillende steden.
De grote invloed van de Kerk en de geestelijken op de samenleving
Invloed geloof was erg groot. Oorzaken:
Iedereen was in de Middeleewen lid van dezelfde Kerk. Gevolg:
geestelijken konden iedereen via de preekstoel regelmatig beïnvloeden
Geestelijken waren de enige die konden schrijven. Gevolg:
Mensen kregen mondelingen informatie van alleen de geestelijken want die kwamen buiten het domein
De Kerk was heel rijk. Alle christenen gaven 1/10 van hun inkomsten aan de Kerk.
De paus kon iedereen in de ban doen. Als je in de ban werd gedaan, was je geen lid meer van de Kerk. Je mocht geen sacramenten (= gewijde handelingen die meestal door geestelijken worden verricht) meer ontvangen en je kwam in de hel.
Koningen hadden geestelijken nodig bij het besturen van het land.
Geestelijken hielpen de mensen zich voor te bereiden op het leven na de dood
De geestelijken
Seculiere geestelijken
Leeven tussen andere mensen, niet in afzondering
Bisschoppen
Boven de priesters stonden de bisschoppen
Taak: toezicht houden op parochies in hun bisdom
Van adelijke afkomst
Boven de bisschoppen staan de aartsbisschoppen
Paus
De paus staat bovenaan. Hij heeft grote macht:
Hij mag regels vaststellen
Hij mag alle bisschoppen bijeenroepen voor een concilie (kerkvergadering)
Hij staat aan het hoofd van alle geestelijken
priesters
Dorppriester was het dichtst bij de gelovige
Taak: gelovige voorbereiden op leven na de dood
Taak: toezicht houden op het leven van de inwoners van zijn parochie = groep gelovige
Iedere parochie had haar eigen kerk
Reguliere geestelijken
Zij leven in afzondering: in een klooster
Aan het hoofd van een klooster staat een abt of abdis
Reguliere geestelijken zijn allemaal lid van een kloosterorde = organisatie van een groep monniken of nonnen die in verschillende kloosters leven volgens dezelfde regels
Monniken/nonnen
2 soorten kerken:
Grieks-christelijke kerk in Oost-Europa
Katholieke kerk in West-Europa
De edelen
De edelen werden verdeeld in hoge en lage edelen
Lage edelen
Zij hadden niet veel meer te eten dan de horige
Hoge edelen
Hadden vaak een groot gebied dat moeilijk was te verdedigen
Ze riepen hulp in van de lage edelen. Ze gaven hulp voor 1 of meer domeinen in leen
Leenheer leent uit, leenman leent
De boeren
Onder de horige was een sterke gelaagdheid. Die werd veroorzaakt door 3 verschillende onder de horige:
Een domein was een dorp met het land in de omgeving
90% van de bevolking werkt op een domein
Het was eigendom van een edelman, een bisschop of een klooster
In de vroege middeleeuwen was er bijna geen handel
Boeren moesten voor hun eigen levensbehoeften zorgen: dat was moeilijk
Paragraaf 3: De opkomst van de middeleeuwse stad
Ambachtslieden en arbeiders komen in opstand
De bovenlaag wist de opstanden te onderdrukken
De mensen waren in de middeleeuwen heel gelovig. Daarom uitten zij hun ergenis en woede vaak in de vorm van ketterijen:
Ketters (aanhangers ketterijen) werden vaak geleid door geestelijken die vonden dat ze de wereld moesten veranderen, omdat god dat wilde
Ketterijen zijn meningen over het geloof die de leiders van de Kerk hebben verboden
Toen in de 14e eeuw de welvaart niet meer groeide, raakten een groot aantal arbeiders werkeloos: Er kwamen opstanden
De gelaagdheid in de steden
Eigenlijk had iedereen de kans om lid te worden, maar op den duur werden de zonen van gildenleden voorgetrokken
Als een stad stadrechten had, waren alle burgers vrij. Maar er ontstonden wel bevolkingslagen
Bovenste laag: meesters van kooplieden- en ambachtsgilden
Onder de bovenste laag stonden het hogere personeel van de twee groepen (kooplieden en ambacht). Zij leefden van loon.
De derde laag werd gevormd door de knechten. Deze arbeiders verdienden een laag loon, waarvan ze maar net in leven konden blijven.
Het armst was de groep bedelaars en zwervers.
De stedelingen krijgen stadsrechten
Stedelingen vroegen om stadsrechten.
De koningen, graven en hertogen waren bereid ze te helpen. De belastingen maakten ze rijker
De stadsrechten waren:
Het zelf mogen regelen van bestuur en rechtspraak
Geen verplichtingen meer tegenover de heer, behalve belastingen
Oorzaak:
Stedelingen waren even onvrij als de boeren op een domein. Ze moesten werken voor de heer een paar keer in de week en konden dat niet goed combineren met hun beroep.
De opkomst van de steden is de belangrijkste verandering in middeleeuwse samenlevingen
Oude steden herleven, nieuwe ontstaan
Boeren trokken naar nieuwe steden.
Oorzaak:
Er was veel werk te vinden, veel vrijheid en een boeiender leven
Meeste steden bleven klein, maar sommige (zoals Parijs) werden groot
In die grote steden waren veel arbeiders. Het aantal arbeiders nam nog sterker toe toen handelaars producten op een grote schaal gingen laten maken
Ook handel nam toe. Voor het toenemen van handel waren jaarmarkten ook heel belangrijk.
In de grote steden werden veel bedrijven opgericht: sommige arbeiders werkten ook thuis
De handel herleeft
Er waren veel hindernissen in de 5de eeuw waardoor er weinig handel was. In de 11de en 12de eeuw wisten de kooplieden al deze hindernissen te overwinnen:
De kooplieden kregen de steun van de vorsten
de kooplieden gingen samen werken. Ze sloten zich aaneen in gilden. Een gilde diende de belangen van mensen die hetzelfde beroep uitoefende.
Paragraaf 4: Overige uitingen van de middeleeuwse cultuur
Bouwwerken en beeldende kunst
Schilder- en beeldhouwkunst
Kunstenaars wilden niet iemand, maar iets afbeelden
Moest mensen tot vrome gedachten brengen
De kerkbouw
Kathedraal = grote kerk in stad waar een bisschop woonde
Gotische bouwstel
Kenmerken:
Slanke zuilen
Weinig muren
Hoge, smalle ramen met glas-in-lood
Spitse bogen
Romaanse bouwstel
Kenmerken:
Zuilen
Dikke muren
Kleine ramen
Spitse bogen
De oudste stijl
Kerkgebouwen: belangrijkste voorbeelden van middeleeuwse beeldende kunst
De literatuur
Spotdichten, novelles, fabels en leerdichten
Hebben burgers bij de literatuur van de adel en de geestelijken bedacht. Hierdoor ontstond in de steden grotere vrijheid van meningsuiting.
Hierin wordt kritiek geuit op de samenleving en aan de hand van voorbeelden duidelijk gemaakt hoe de mensen zich moeten gedragen
13de eeuw
De lyriek
Korte gedichten over verdriet en vreugde, vaak ook over liefde
Het epos
In de 11de en de 12de eeuw gingen dichters deze oude verhalen opschrijven.
Verhaal over heldhaftige edellieden, zoals Roelant
Heiligenlevens
De schrijvers waren geestelijken
Dit is latijnse middeleeuwse literatuur. Verhaal over het leven van een heilige man of vrouw.
Het onderwijs
Één van de beroemdste geleerde was Abélard. Van hem is de uitspraak: De eerste sleutel tot de wijsheid is; voortdurend en herhaaldelijk ondervragen, want door twijfelen worden wij ertoe gebracht vragen te stellen, door vragen te stellen belanden wij bij de waarheid
Onderwijs was gebonden aan kloosters en kerken. In de 13e eeuw had de kerk minder invloed op het onderwijs. Scholen werden opgericht.
Het recht
In de middeleeuwen kwamen belangrijke veranderingen in de rechtspraak:
In het Romeinse Rijk was één soort rechtspraak. In de Middeleeuwen kwamen er 2 soorten:
Gewone rechtspraak (van de leenheer)
Kerkelijke rechtspraak
Geestelijken
In het Romeinse recht was iedereen voor de wet gelijk. In alle Germaanse staten ging men er vanuit dat alle mensen voor de wet ongelijk waren: de boeren, de adel en de geestelijken werden voor eenzelfde vergrijp verschillend gestraft.
Op den duur lukte het de leiders van de Germaanse volken zelfs niet binnen hun eigen staat hetzelfde recht te handhaven: ieder domein ontwikkelde eigen rechtsgewoonten
In het Romeinse Rijk gold overal hetzelfde recht. Elk Germaans volk bracht zijn eigen recht mee, zodat in elke Germaanse sdtaat in Europa andere regels golden
Nieuwe kloosterorden bestrijden ketterijen
Er kwamen steeds meer ketterijen. 2 nieuwe kloosterorden hadden een belangrijk aandeel:
Ook probeerdeb ze met hun preken de mensen van ketterij af te houden
Deze 2 orden wilden laten zien dat ook binnen de kerk eenvoud en nederigheid konden bestaan.
Franciscanen
Dominicanen
Kregen aandeel in speciale gerechtshoven die door de pausen waren ingesteld. Die heetten rechtbanken van inquisitie. Zij hadden als doel: opsporing en berechting van ketters. Hierdoor heeft De Kerk de ketterijen inde 14e en de 15e eeuw weer enigszins onder de duim weten te krijgen